|
Piercings: pronkstuk of probleem?
Orale piercings komen het meest voor in de tong en de lip. Maar hoe vaak komt de tandarts ze tegen? En wat voor risico’s brengen ze mee? Daar is zo weinig over bekend, dat bij ACTA alle literatuur hierover in kaart is gebracht. Ook is dit voorjaar bij het Ivoren Kruis een informatieve brochure verschenen. Kennis ter ondersteuning van kundig advies.
Fridus van der Weijden is parodontoloog en wetenschapper. Als lid van het adviescollege van het Ivoren Kruis bereikte hem het verzoek toegankelijke informatie over orale piercings te verschaffen. Die kennis bleek niet voorhanden. Samen met mondhygiënist Nienke Hoenderdos zette hij een omvangrijke literatuurstudie op. Moeten mondpiercings worden afgeraden?
”Die vraag beantwoord ik als man anders dan als medicus. Ik vind persoonlijk een tongpiercing best leuk. Bij een lippiercing hangt het er vanaf op welke plek hij zit. Ik ben het onderzoek niet gestart uit afschuw voor de medische implicaties, maar vooral uit interesse. Puur medisch gezien zijn orale piercings af te raden, omdat de kans op complicaties niet gering is. Als ik zeg dat 35 procent van de piercingdragers problemen krijgt, ben ik aan de voorzichtige kant.”
Terugtrekkend tandvlees
Hoeveel mensen een piercing in de mond dragen, is niet bekend. De percentages verschillen, afhankelijk van welke groep je bekijkt. Uit de studies (met internationale scope) kwam een gemiddelde naar voren van 6,4 procent van de vrouwen en 2,8 procent van de mannen. De meeste piercings worden in de tong geplaatst, daarna is de onderlip favoriet. Wat zijn de voornaamste problemen, als het niet goed gaat?
Van der Weijden: “Wat bij tongpiercings het meest voorkomt, zijn fracturen en afbrekende stukjes van tanden en in, mindere mate, van kiezen. Dat gebeurt vooral als de piercing te ver naar voren is geplaatst en daardoor steeds contact met de voortanden maakt. Maar ook spelen veel mensen met hun piercing of bijten er per ongeluk een keer op. Terugtrekkend tandvlees is een goede tweede als het gaat om complicaties. Bij een tongpiercing kan dat gebeuren aan de buitenzijde, als die de ondertanden voortdurend naar voren drukt. Aan de tongzijde gebeurt dit door contact met het bolletje. Ook bij een lippiercing ontstaat dit als de piercing aan de binnenkant in voortdurend contact is met het tandvlees. De dikte en daarmee de mate van kwetsbaarheid van het tandvlees verschillen enorm van patiënt tot patiënt. Niet iedereen krijgt hier dan ook last van. Ook komt het regelmatig voor dat het tandvlees ontstoken raakt. Het is duidelijk dat als je dat niet stopt, de patiënt op termijn tanden of kiezen kan verliezen.”
Direct na het zetten van de piercing treedt gewoonlijk zwelling van de tong en/of het tandvlees op. Ook langdurige bloedingen en overmatige slijmproductie kunnen de eerste dagen voor hinder zorgen. Ernstiger is dat in onderzoeken ook endocarditis nogal eens wordt gerapporteerd, een bacteriële infectie in het hart of op een hartklep. Reden te meer om een piercing te allen tijde door een professional te laten aanbrengen. Niet voor niets heeft het Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid een lijvig document uitgegeven met hygiënevoorschriften voor elke vorm van body-piercing.
Bloedverdunners
Rob van Hoeijen van de Utrechtse Studio Remi kan dat volmondig bevestigen: “Die hygiënevoorschriften zijn er vooral op gericht kruisbesmetting te voorkomen. Het aanbrengen van een tongpiercing duurt zo’n twintig minuten. Van het dragen van handschoenen tot en met het steriliseren van instrumenten: alles is in regels vastgelegd. Maar ook medisch houden wij de zaak goed in de gaten. De cliënt vult vooraf een vragenlijst in, waarop bijvoorbeeld het medicijngebruik gecheckt wordt. Iemand die bloedverdunners gebruikt, raden wij een piercing zonder meer af. Ook inspecteren wij vooraf de tong: als de tongriem te ver naar voren zit of de aders in de tong laten te weinig ruimte op de geschikte plekken, dan krijg je in onze shop geen piercing.”
Ouders
Volgens Van Hoeijen is de vraag naar piercings de laatste acht jaar explosief gegroeid, maar inmiddels gestabiliseerd. Van Hoeijen vindt vooral het overheidsbeleid ten opzichte van kinderen te soepel. “Kinderen mogen al vanaf hun twaalfde zelf over tatoeages beslissen. Wij hebben dat op achttien jaar gezet. Voor tong- en lippiercings noemt de wet zestien jaar als leeftijd om zelf te kunnen beslissen. Wij dringen er erg op aan dat er een ouder meekomt. Vaak gaat dat vanzelf, omdat ze wantrouwig zijn of bang voor negatieve gevolgen voor de gezondheid.”
Die argwaan delen ze met vooral de oudere garde tandartsen, denkt Van Hoeijen. Zij vrezen vooral voor beschadigingen aan tanden en glazuur. Piercer én patiënt kunnen er alert op zijn om dat te voorkomen: “Je moet een tongpiercing midden op de tong aanbrengen en vooral niet te ver naar voren. Bovendien zit er de eerste weken een wat langer staafje door de tong. Het is verleidelijk om daarmee te spelen; daardoor ontstaan de meeste beschadigingen. Is de tong hersteld, dan gaat er een korter staafje in – dat geeft bijna nooit problemen. Sowieso heb ik in de negen jaar dat ik dit werk doe nog nooit ernstige complicaties gezien. Wel ontstekingen. Wij adviseren over de verzorging daarvan, maar is er bij terugkomst na twee dagen niets verbeterd, dan verwijzen wij naar de huisarts. Wat er op langere termijn voor problemen kunnen ontstaan, daar hebben wij natuurlijk geen zicht op.”
Adviserende rol
Fridus van der Weijden beaamt het belang van betrokkenheid van ouders. Maar ook richting al dan niet volwassen ‘zelf-beslissers’ is de adviserende rol van de tandarts en mondhygiënist belangrijk. “Op het afgelopen voorjaarscongres van de Nederlandse Vereniging van Mondhygiënisten heeft het Ivoren Kruis een informatieve brochure gepresenteerd. Mijn mede-onderzoeker Nienke Hoenderdos heeft daaraan een ruime bijdrage geleverd; er zit dus veel van ons onderzoek in verwerkt. Ik wil die brochure dan ook bij iedere tandarts aanbevelen.
Sowieso hoort een check van de piercing bij de reguliere controle, of dat nu door tandarts of mondhygiënist gebeurt. De piercing moet schoon zijn – ook op piercings kan zich plak en tandsteen nestelen – en moet dus goed worden verzorgd. Vooral het balletje onder de tong geeft nogal eens problemen, omdat je er lastig bij kunt. En een tweede aandachtspunt: zie je schade aan tanden of kiezen of terugtrekkend tandvlees? In al die gevallen moet het dringende advies zijn de piercing te (laten) verwijderen.”
Dat is precies de lijn die in de Utrechtse ‘Tandartspraktijk Oog in Al’ wordt gevolgd. Van een praktijk in een studentenstad mag je misschien wat meer patiënten met piercings verwachten. Maar het percentage zal niet hoger liggen dan één procent schat tandarts Jeroen Dijkhuizen. “Ik heb een paar patiënten bij wie de piercing geen enkel probleem oplevert. Het belangrijkst is wat mensen er zelf mee doen. Wie ermee speelt, loopt risico’s. Ik had een meisje dat iedere keer een frontelement beschadigde. Zij en nog twee andere patiënten hebben mijn advies opgevolgd de piercing er definitief uit te halen.” Zijn collega Edwin Tiemesen vindt het aantal patiënten met piercings ook niet hoog, maar denkt wel dat ongeveer de helft van hen problemen krijgt. “Één patiënt had voortdurend beschadigingen aan de linguale knobbels, daar braken stukjes af. Spelen, maar ook eten kan zo’n kogeltje al voortdurend in contact met de kiezen brengen. Ik zeg wel eens: wie bang is voor de tandarts moet niet aan een piercing beginnen, want het maakt de kans op een gedwongen bezoekje een stuk groter.”
Helder
Kortom, helder voorlichten, de mogelijke consequenties in beeld brengen en bij complicaties stevig aan de bel trekken – dat is de rol van de tandarts. Maar méér ook niet. Want een piercing kán problemen geven. Maar is ook al sinds mensenheugenis bedoeld om mee te pronken.
Kees Adolfsen, freelance journalist
|